23 juni, 2022

Op weg naar circulaire economie: in 2030 helft minder grondstoffen, hoe realistisch is dat?

In 2050 moet Nederland circulair zijn; een land waar afval een grondstof is. Dat klinkt nog veilig ver weg. Maar de tussentijdse doelstellingen komen snel dichterbij. In 2030, over minder dan acht jaar, is het de bedoeling dat Nederland de helft minder grondstoffen verbruikt. Maar hoe ziet dat er in de praktijk uit?

Wanneer je tegen de meubelmaker of glashandelaar zegt: ‘vanaf 2030 mag je nog maar de helft van je grondstoffen gebruiken’, word je waarschijnlijk vragend aangekeken. Een halvering van grondstoffen is voor hen hetzelfde als een halvering van hun productie, met faillissement als gevolg. En wat betekent deze doelstelling voor producenten van zonnepanelen, windmolens en accu’s; apparaten die voor de energietransitie in groten getale nodig zijn?

Halvering grondstoffen

Hoe werkt zo’n halvering van het grondstoffengebruik? En voor wie en wat geldt het? In 2019 concludeerden het PBL, het CBS en TNO al dat de definitie van de doelstelling van 2030 concreter moet worden. Dat is ingewikkeld. Waar CO2 een complexe, maar bruikbare variabele is om klimaatverandering te meten, ontbreekt zo’n handvat volledig in de circulaire economie. Minder grondstoffen staat namelijk niet per definitie gelijk aan meer klimaatwinst. Denk aan die energiezuinige koelkast die misschien net wat meer zeldzame metalen bevat.

Beperkte Nederlandse invloed

“Op dit moment is de overheid nog vrij vaag en weet niemand precies wat er verwacht wordt”, zegt Johannes Bos, oprichter en directeur van Greenwaste. Greenwaste ontfermt zich over het afvalmanagement van honderden bedrijven. Bos ziet dat zijn klanten op verschillende manieren bezig zijn met de doelstellingen van de circulaire economie. De één proactiever dan de ander.

Het probleem is volgens hem dat de invloed van Nederlandse bedrijven maar beperkt is. “Nederland is vooral importeur van halffabricaten uit het buitenland. Daar ligt de directere verbinding met de grondstoffen. Je kunt dus wel willen halveren in grondstoffenverbruik, maar veel Nederlandse bedrijven zijn niet bij machte om deze eisen te stellen aan hun leveranciers.”

Einde-afvalstatus

De doelstelling van 2030 is volgens Bos alleen mogelijk als we materialen aan het eind van hun levensduur scheiden, zodat het weer nieuwe grondstoffen worden. Om dit te stimuleren is volgens Bos sturing van de overheid nodig. “Bedrijven hebben behoefte aan een einde-afvalstatus op afvalstromen. Met deze documentatie kan afval makkelijker worden ingezet als nieuwe grondstof.”

  • Wat is afval?

Volgens artikel 1.1 van de Wet milieubeheer is een afvalstof elke stof of elk voorwerp, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Zodra een stof een afvalstof wordt gelden er bepaalde regels. Bijvoorbeeld over de plek waar het afval heen moet en hoe het getransporteerd mag worden. Een andere regel is dat afvalstoffen niet zomaar gebruikt mogen worden als grondstoffen voor nieuwe productieprocessen.

  • Wat is einde-afval?

Einde-afval is een status die bepaalde afvalstoffen onder voorwaarden kunnen krijgen, waarmee ze niet langer aangemerkt worden als afval. Dit betekent dat de materiaalstroom opnieuw gebruikt mag worden als grondstof in productieprocessen.

Op dit moment kan zo’n einde-afvalstatus al gelden voor onder andere ijzer, aluminium en glas als wordt voldaan aan de gestelde criteria. Maar volgens Bos is het een hell of a job om zo’n status voor andere materialen aan te vragen. “Het is een ingewikkeld bureaucratisch proces dat wel tot twee jaar duurt. Heel veel bedrijven schuiven dat voor zich uit.”

Veilig voor mens en milieu

Het is niet zonder reden dat de beoordeling voor een einde-afvalstatus zorgvuldig is. “Voordat afval weer de markt op mag als grondstof, moeten we er onder andere zeker van zijn dat de materiaalstroom niet verontreinigd is met stoffen die onaanvaardbare risico’s kunnen geven voor mens of milieu”, vertelt Marieke van Ginhoven, juriste afval en circulaire economie bij Rijkswaterstaat. “Bovendien moet een stof met een einde-afvalstatus wel aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Logischerwijs zijn de regels voor materialenstromen die gebruikt worden voor voedselverpakkingen en kinderspeelgoed zeer streng. Voor het produceren van bermpaaltjes zijn de eisen beperkter.”

Afvalstoffen worden grondstoffen

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is bezig om voor meer materialen, die voorheen gezien werden als afval, duidelijk aan te geven wanneer het de einde-afvalstatus kan hebben. Tot blijdschap van de Unie van Waterschappen onderzoekt staatsecretaris Vivianne Heijnen einde-afvalcriteria voor struviet en cellulose. Rioolzuiveringen filteren deze materialen uit afvalwater. Nu zijn dit nog afvalstoffen. Maar cellulose kan bijvoorbeeld goed gebruikt worden in de wegenbouw. En struviet wordt in Nederland als meststof verhandeld, maar nog niet in Europa. Om die nieuwe markten aan te boren zijn nieuwe regels nodig.

Einde-afval in een circulaire economie

Maar het is te kort door de bocht om te zeggen dat een uitbreiding van ‘het portfolio einde-afvalstatusmaterialen’ zaligmakend is voor het behalen van de doelstellingen van 2030, vindt Emma van den Boogaard, beleidsmedewerker circulaire economie bij het ministerie van I&W. “Het is slechts één radertje in het geheel.”

Volgens Van den Boogaard is het belangrijk dat de overheid kaders stelt en zorgt dat het beoordelingsproces duidelijk is. Van den Boogaard: “Ondernemers en overheden moeten weten wat de te volgen stappen zijn om te beoordelen of een materiaal een afvalstof is of niet. Met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten zijn we druk bezig om dat proces in kaart te brengen. De ondernemer is wel altijd als eerste aan zet om de (afval)status van het materiaal te onderbouwen.”

Handreikingen van de overheid

Daarnaast kan de overheid handreikingen opstellen. Deze worden uitgebracht als het ministerie van I&W merkt dat er behoefte is aan nadere uitleg over regelgeving. Voormalig staatssecretaris Stientje van Veldhoven drong al eerder aan op meer handreikingen van de overheid. Ze zijn niet juridisch bindend, maar wijzen ondernemers en bevoegd gezag wel naar de juiste plek. Bovendien kunnen handreikingen in enkele maanden opgesteld worden, terwijl de invoering van wetgeving al snel twee jaar duurt.

We moeten per materiaal beoordelen welke handvatten de overheid kan bieden.

Emma van den Boogaard

Plantresten als veevoer

“We hebben recent een handreiking opgesteld voor plantaardige productieresten”, zegt Van Ginhoven. “Dan gaat het bijvoorbeeld over aardappelresten of bietenpulp. Onder de juiste voorwaarden is dit geen afvalstof, maar een bijproduct. En dan kunnen deze stromen onder de diervoederwetgeving gebruikt worden als veevoer.”

Het blijft maatwerk, zegt Van den Boogaard. “We moeten per materiaal beoordelen welke handvatten de overheid kan bieden. Als je te snel gaat, houd je het risico dat schadelijke materialen voor mens en milieu de weg naar productieprocessen vinden.”

Groen herstel en energieonafhankelijkheid

Maar er is haast geboden. Na de coronacrisis voorzag de wereld ‘groen herstel’, maar de realiteit bleek weerbarstig. En alhoewel de oorlog in Oekraïne de roep om duurzame energieonafhankelijkheid versterkt, liggen mondiale distributieketens plat. Na crisis komt herstel. Het gevaar dreigt dat we kiezen voor zo snel mogelijk en niet zo duurzaam mogelijk.

“Ik denk niet dat we de doelstelling van 2030 gaan halen”, zegt Bos van Greenwaste. “Maar dat is ook niet erg. We hebben namelijk wel dat doel nodig om naartoe te werken.” Ondertussen staat Greenwaste niet stil. Bos: “Wij hebben als doel gesteld dat al onze klanten in 2030 CO2-neutraal zijn wat betreft hun afval.”

CO2 compenseren

Volgens Bos kun je dan twee dingen doen: afval reduceren of uitstoot compenseren. Bos: “Wij zijn een initiatief gestart waarbij we met lokale boeren gewassen gaan verbouwen, zoals miscanthus (olifantsgras, red.) of silphie. De gekozen gewassen halen efficiënt koolstof uit de lucht. Deze CO2-reductie willen we uitrekenen en certificeren. Onze klanten kunnen deze certificaten vervolgens kopen om hun CO2-uitstoot als gevolg van hun afval te compenseren. Dankzij onze CO2-rekenmodellen weten we hoeveel certificaten een klant moet kopen om quitte te spelen. De boeren ontvangen op hun beurt een stabiele inkomstenstroom. Het is win-win.”

Maar ook hier heeft Bos de overheid nodig. “Er is nog geen duidelijke regelgeving over het certificeren van een dergelijk proces, waardoor we van Den Haag naar Brussel en weer terug gestuurd worden. Maar we zijn overtuigd dat we dit gaan doen.”

Complexe wereld

Misschien wordt dat wel the way to go, denkt Bos: de CO2-impact van bedrijfsonderdelen meten en die onderdelen compenseren. “De wereld wordt steeds complexer en specialisme steeds belangrijker. Je hebt veel aan andere partijen die een duurzame oplossing hebben voor specifieke bedrijfsactiviteit. Wat dat betreft ben ik positief. Er is de afgelopen acht jaar al zo veel mogelijk gebleken. Ik denk dat verduurzaming in een stroomversnelling komt. Wacht maar tot je ziet wat er in 2030 allemaal veranderd is.”

Bron: CHANGE INC.